Bewijsvoering in de homeopathie:
Er zijn verschillende vormen van onderzoek om de werking van homeopathie aan te tonen.
Een geneesmiddelproef in de homeopathie gaat simpel gezegd als volgt in zijn werk: gedurende één of meerdere dagen neemt een proefpersoon het te beproeven middel in, vanaf de eerste inname wordt nauwkeurig de verandering in de gezondheidstoestand bijgehouden, de symptomen die veroorzaakt worden door het middel vormen het uiteindelijke geneesmiddelbeeld. Soms zijn er individuele proeven, maar meestal gaat het om proeven van meerdere tientallen proefpersonen.
De resultaten van een proef worden vergeleken met die van andere proeven met hetzelfde middel. Hoe meer proefpersonen een bepaald symptoom vermelden hoe groter de waarde van dit symptoom. Voor de nauwkeurige waarnemer blijkt een enkel middel zeer veel symptomen te kunnen veroorzaken.
Onderzoek naar de werking van hoge potenties.
Wanneer we maar lang genoeg doorgaan met het verdunnen vaneen stof, dan verdwijnt uiteindelijk de laatste molecuul uit de oplossing en houden we niets anders over dan water.
Klassiek homeopaten werken met middelen die zover verdund zijn dat de kans dat er nog een molecuul van de oorspronkelijke stof aanwezig is, vrijwel is uitgesloten. Toch blijken juist deze middelen veel sterker het menselijke organisme te kunnen beïnvloeden dan stoffen die minder verdund zijn. Als verklaring hiervoor wordt gegeven dat door het schudproces, dat tussen iedere verdunningsstap plaats vindt, de watermoleculen zich op een bepaalde manier gaan rangschikken en dat deze rangschikking (configuratie) telkens in versterkte vorm wordt doorgegeven. Op deze wijze wordt niet de stof zelf doorgegeven maar een energetisch patroon ervan.
De klassieke homeopathie stelt, dat deze energieprikkel de levenskracht van een patiënt stimuleert en een aanzet geeft tot genezing.
De reguliere geneeskunde werkt in het algemeen niet met begrippen als energie en levenskracht. Dat de vloeistof drager is van een vorm van energie is niet met het oog of met een microscoop aan te tonen. Met behulp van de moderne fysica is de homeopathische theorie echter wel te verklaren. Einstein gaf in feite al aan dat de mens uit een vorm van energie bestaat. Met zijn veldtheorie stelde hij het volgende: ''We kunnen materie beschouwen als iets wat gevormd wordt door die delen van de ruimte, waar het (energie)veld extreem intens is. Er is geen plaats in de nieuwe fysica voor zowel het (energie)veld als de materie. Het (energie)veld is de enige"realiteit."
De mens bestaat dus uit energie. Sommige delen zitten zo dicht op elkaar dat ze zichtbaar zijn (het lichaam). Sommige delen zijn minder dicht en zijn niet zichtbaar maar alleen voelbaar.
Wat er bij de bereiding van een homeopathisch middel gebeurt is, dat een proces in werking wordt gezet, waarbij een heel dicht energieveld (materie) wordt omgezet in een lossere samenhang. Er ontstaat een minder compact energieveld, dat in staat is het energieveld van de mens (zijn levenskracht) te beïnvloeden.
Het is belangrijk weg te stappen van het de hedendaagse conceptuele impasse waarin we door Avogrado's wet zijn terecht gekomen.
Neem alleen al een M3 lucht in een ruimte en geef het aan de chemist om te analyseren. Hij zegt dan dat er zich stikstof en zuurstof in bevinden.
In die lucht komen echter ook radiogolven en elektromagnetische golven voorbij.
Niemand kan zeggen dat dit niet zo is en ook de chemist kan dit niet ontkennen.
Door de ontwikkeling van de fysica en vooral in het veld van de quantumfysica kunnen de verschillen in energie gemeten worden van de homeopathische middelen. Op de Technische Universiteit van Athene in Griekenland worden sinds 1995 (door een team van specialisten rond professor P.D. Bourkas) de verschillen in weerstand tussen de homeopathische gepotentieerde middelen getest. De waarde van de weerstand van bijv. Chamomilla in water blijkt laag te zijn, maar hoe hoger de potentie wordt, hoe hoger de weerstandswaarde. Chamomilla 30c heeft dus een lagere waarde dan Chamomilla 1M.
De waarde van het watermolecuul wordt groter en groter en daarom neemt de weerstand toe en, interessant genoeg, per homeopathisch middel op weer andere, geheel eigen wijze. Met individuele curven die laten zien dat op energetisch niveau homeopathische middelen wel degelijk iets 'bevatten'.
Onderzoek naar het gelijksoortigheidprincipe In 1997 werd er aan de universiteit van Utrecht een belangrijke fase van een baanbrekend onderzoek afgerond. Zeven jaar lang deed de vakgroep celbiologie van deze universiteit onderzoek naar het zogenaamde "gelijksoortigheidprincipe". Het gelijksoortigheidprincipe is het belangrijkste uitgangspunt van de homeopathie. Het stelt dat klachten worden genezen door een geringe dosis van een stof die soortgelijke klachten bij gezonde proefpersonen juist kan veroorzaken.
Wat heeft het Utrechtse onderzoeksteam onder leiding van Dr. Roeland van Wijk nu gedaan? In een serie onderzoeken werden dierlijke cellen in het laboratorium blootgesteld aan warmte, zodanig dat er schade aan de cellen optrad. Vervolgens voegde men opnieuw maar in iets minder mate - warmte toe en men constateerde een sneller herstel van de cellen, dan zonder deze extra toevoeging van warmte.
Op dezelfde wijze beschadigde men dierlijke cellen met een arsenicumverbinding. Behandelde men vervolgens de cellen met een hoge verdunning van deze arsenicumverbinding, dan trad een aanmerkelijk sneller herstel in van de cellen, dan wanneer men niets deed. Dezelfde proeven werden herhaald met cadmium, met hetzelfde resultaat.
Say hello